De racistische wortels van het cannabisverbod

Samenvatting van de Noorse thesis; De racistische wortels van de internationale cannabis regulering, een analyse van de tweede Geneefse opium conferentie 11924-1925), Anna Stensrud, Universiteit van Oslo, 2022

Jan Smuts, minister president van de Unie van Zuid-Afrika in 1923 stelde voor om cannabis te betrekken bij de internationale lijst van gewennings-drugs voor de Leage of Nations (verbond van naties, de voorloper van de Verenigde Naties). Smuts was een van de aanjagers van deze Leage of Nations, die volgens Stensrud een product was van een keizerlijk/koloniaal internationalisme (Smuts was volgens de auteur Mazower een bovendien een van de grondleggers van apartheid in Zuid-Afrika vanuit een racistisch motief ...) De wens om cannabis te betrekken bij de conferentie van 1924 had echter bij zijn Engelse landgenoten en conferentie-collega’s van de opium-commissie geen prioriteit. Desalniettemin was er een medestander in de vorm van de Egyptische gedelegeerde Mohamed El Guindy die overtuigend sprak over de gevaren van cannabis en de noodzaak voor internationale regulering. Door de inbreng van El Guindy, werd uiteindelijk formeel besloten bij het verdrag van 1925 dat cannabis verslavend was en even gevaarlijk als opium en dus ook zo behandeld diende te worden. De Egyptenaar wist een lokaal probleem met cannabis te internationaliseren, vooraf was gegaan aan een flinke lobby. Voor andere Europese landen bleek echter cannabis geen probleem, niet qua misbruik noch qua handel.

Deze thesis gaat in de kern over hoe cannabis als ‘lokaal probleem’ in Zuid-Afrika en Egypte werd getransmuteerd naar een mondiaal probleem door de Leage of Nations en de 2e Geneefse Opium Conferentie.

Vraagstelling: Hoe werd cannabis een mondiaal probleem en welke rol speelden raciale vooroordelen hierbij in het debat van internationale cannabis regulering?

Hiertoe heeft Stensrud een digitale documentanalyse toegepast waarbij brieven en toespraken van met name de Britse Smuts en Egyptische El Guindy werden bestudeerd, hierbij werd vanuit het raamwerk van kolonialisme naar het bronmateriaal gekeken. In het bronmateriaal wordt nauwelijks van cannabis gesproken, maar door de League of Nations wordt eerder gesproken van Indische hennep en Hashish. Cannabis wordt vanuit westerse wetenschappelijk optiek zo aangeduid terwijl de thesis dat juist probeert te bekritiseren, maar is echter wel neutraler dan de voorbeelden van Indische hennep, Hashish of Dagga.
Het gebruik van de plant werd geïntroduceerd bij de Europese grootmachten via de koloniën en de consumptie van cannabis werd geassocieerd met gekleurde gekoloniseerde mensen die als gevaar voor de blanken werden beschouwd. Afrikaanse kolonies waren de eersten die het gebruik, productie, import en export van cannabis beperkten. Het roken van cannabis in Afrikaanse koloniën werd lokaal als problematisch gezien. Dat had vooral een samenhang met de immigratie van Indiers naar Zuid-Afrika, en een klassenmaatschappij, waarbij bijvoorbeeld Mahatma Gandhi in 1893, door witte kolonisten, die zichzelf superieur aan kleurlingen zagen, uit de eerste klas treincoupe werd gezet.
Dagga werd door kolonisten onterecht en steeds meer geassocieerd met misdaad, geweld en luie arbeiders in de vroege 20e eeuw. Imperialistische artsen en apothekers in de Kaap Kolonie waren cruciaal om cannabis als vergif te kenschetsen terwijl uit eerder onderzoek in de Transvaal bleek dat cannabis onschadelijk was.
Het hoofd van het lokale Keniaanse bestuur stelde dat ‘de gewoonte om Dagga te roken heel diep is geworteld, speciaal onder ouderen, van wie velen verslaafd zijn en niet met een pennestreek als crimineel bestempeld dienen te worden. Smuts verzekerde dat een Dagga verbod alleen tot de witte publieke ruimte beperkt zou worden; het cannabisverbod kan dus vooral binnen een ‘wit koloniale’ politieke context gezien worden. Cannabisgebruik door native Afrikanen werd door de blanken als een gevaar gezien en vanuit deze raciale context kan dus ook het cannabisverbod van 1922 worden verstaan, en het een stap dichterbij kwam om ‘de lokale kleurlingen te civiliseren’. Dit paste bij een strategie van segregatie en raciale regelgeving. Dat cannabis hierbij gelijk gesteld werd aan opium is vooral aan Sluts overtuigingskracht te danken, waarbij er geld viel te verdienen met het confisqueren van de plant terwijl tegelijkertijd macht over de lokale en Indiase bevolking kon worden uitgeoefend. Lokale tradities werden ineens geproblematiseerd en vanuit Christelijke optiek gemoraliseerd.

In Egypte werd het roken van cannabis gezien als probleem van de lagere (gekoloniseerde) klasse met de mahshashas, waar cannabisgeuren uit de rook-cafe’s kwamen waar bedwelmde hasjrokers hun heil vonden. Hierdoor ontstond de karikatuur van de bedwelmde luie werkeloze Egyptenaar, die met de overbevolkte cafe’s verscheidene infecties en ziektes veroorzaakten volgens de Engelsen. Terwijl cannabis in wezen breed gebruikt werd onder de arbeidsklasse, onder andere bij boeren om pijn te verlichten van zware arbeid en zeker ook omdat alcohol vanuit religieus opzicht verboden was. Ook in Egypte was het verbod op cannabis in 1882 onderdeel van een moderniserend civilisatieproces door de Ottomaanse Egyptische elite, die neerkeken op de arbeidsklasse waarbij blowers via kranten met cartoons belachelijk werden gemaakt, waarbij cannabis als oorzaak werd gezien voor het gebrek aan vooruitgang. Ook vanuit de medische wereld kreeg cannabis een negatieve stempel doordat cannabis geestesziekten en geestelijke vervreemding zou veroorzaken volgens de Franse psychiater Jacques-Joseph Moreau (al in 1843), alhoewel hij benadrukte dat dit pas na jaren van excessief gebruik kon voorkomen, wat echter niet wordt benadrukt door derden is dat hij stelde dat cannabis een fantastische substantie is die vele geneugten geeft en dat wijn en likeur duizend keer gevaarlijker zijn.


Hashish was voor veel Europeanen in Egypte een onbekend bijproduct van cannabis. De Britse kennis over cannabis kwam uit India en volgens de Engelse consul vond dat cannabis geen negatieve effecten had en mogelijk zelfs voordelen, maar door de Egyptische propaganda bleef het Egyptische verbod gehandhaafd, terwijl ook werd voorgesteld dor de Brits Indiase kolonisten om cannabis te legaliseren zodat er handelsvoordelen zouden komen door licenties uit te geven, dit ingegeven vanuit de ervaringen met cannabis in India. Onder Engelse schrijvers en reizigers werd cannabis ook wel gebruikt maar dat werd door de kolonialisten niet als problematisch gezien. ‘Zij konden met de drug omgaan, maar de locals niet’, terwijl de reguliere cannabisconsument natuurlijk veel meer THC-tolerantie had opgebouwd dan de incidentele consument.
Alhoewel smokkel volgens Egyptische wet illegaal was, was handel van cannabis buiten Groot-Brittannië niet verboden volgens de Britse wet. De Engelse douane verdiende ook aan de in beslaggenomen cannabis door die door te verkopen, dit was en Guindy een doorn in het oog en een belangrijk aspect waarom hij pleitte voor internationale cannabis regulering. De kwestie van Hashish werd in 1924 verder door een sub-commissie besproken waarin koloniale artsen zitting hadden, en daar was India niet bij, terwijl die nog het meest kritisch waren om cannabis in het verbod op te nemen, aangezien cannabis overal in het wild groeide in India. Volgens de Franse voorzitter van de sub-commissie was cannabis vooral een probleem in de kolonies in Centraal Afrika en Egypte, waardoor het cannabisverbod makkelijk geimplementeerd kon worden, terwijl de gekoloniseerde stemmen in deze niet gehoord werden. Waarmee vanuit een koloniaal motief het lokale beleid een internationaal beleid werd en nooit met de vraag om cannabis niet op te nemen in het verbod, noch kwam er enige wetenschappelijke argumentatie bij aan te pas. Wel werd er een onderscheid gemaakt tussen de bloeiende toppen en de stammen bij de vezelhennep. India stemde uiteindelijk dan ook tegen het verbod op cannabishars, en Engeland en Nederland onthielden zich van stemming.


De gelijkstelling van cannabis met opium had grote gevolgen voor regulering van en onderzoek naar cannabis, alhoewel cannabis voor medisch gebruik bleef toegestaan, was er nadien door het verbod een enorme afname van cannabis als medicijn en onderzoek daarnaar zichtbaar.

Onderzoeken

logo button

Stichting Maatschappij en Cannabis
Redactie: Gerrit Jan ten Bloemendal, Jeroen Bos en Lisa Lankes
Redactionele bijdragen: Mauro Picavet
Fotografie: Gerrit Jan ten Bloemendal
contact mailadres

elke stem telt 600